Pausen zijn oorlogszuchtig en gulzig, kardinalen ijdel. En wat te denken van theologen? Wat doen die eigenlijk méér dan goochelen met theorieën en redeneringen?
Negen jaar voordat Luther zijn aanklacht tegen de katholieke kerk op een kerkdeur spijkert, publiceert humanist en theoloog Desiderius Erasmus ‘Lof der zotheid’. In dat betoog prijst hij de ‘zotheid’, evident onnozel gedrag. Anno 1500 is het wijdverspreid, meent de Rotterdammer. Filosofen bezondigen zich er aan, maar ook trotse adellieden en hypocriete zedenpredikers. In plaats van kritiek te leveren besluit hij het omgekeerde te doen. Hij beschimpt het verkeerde niet, hij prijst de ‘zotheid’.
De (katholieke) moederkerk scoort volgens Erasmus hoog op de zotheid-schaal. Ze is vervreemd van Christus en dus een prima voorbeeld van hoe de ‘zotheid’ kan woekeren. Theologen bijvoorbeeld, hebben voornamelijk oog voor hersengymnastiek:
“Daarbij hebben ze zich omringd met een enorme zwerm scholastieke definities, conclusies, aanvullende argumenten, expliciete en impliciete proposities. (…) De volgende kwesties vinden ze pas echt grote, verlichte (zoals ze het noemen) theologen waardig; als ze hierop stuiten, veren ze op: bestaat er eigenlijk één bepaald moment van Gods schepping?”
“Is er wel meer dan één zoonschap in Christus? Is de volgende stelling vatbaar: God de vader haat zijn zoon? Kan God werkelijk de gedaante van een vrouw aannemen, van een duivel, van een ezel, van een pompoen, van een steen? En hoe zou dan een pompoen preken, wonderen verrichten, aan het kruis geslagen worden?”
Je ziet: Erasmus’ draait deugd en misstand om. Slim, want zo kan hij harde noten kraken. Als Augustijner kanunnik wordt hij niet geacht kritiek te geven op de kerk en haar samenleving. Met een lofzang zou hij ongestraft weg moeten komen, vindt hij zelf. Het prijzen van misstanden is trouwens niet meer dan een stijlvorm. Klassieke schrijvers als Vergilius, Ovidius en Polycratus gingen hem wat dat betreft voor. En waren hun betogen niet ook leerzaam en opbouwend?
“Bovendien”, schrijft hij in een later toegevoegde epiloog, “als je geen enkele categorie personen spaart, bewijs je daarmee dat je woede geen enkele individuele persoon geldt, maar collectieve gebreken”. Ook zijn ‘eigen soort’ wuift hij ‘lof’ toe. Kloosterlieden laten zich wat hem betreft te vaak voorstaan op hun strenge leefregels. Dat verleidt ze tot hypocrisie:
“Je kunt er ook tegenkomen die zo strikt volgens de regels leven dat ze voor hun bovenkleed uitsluitend ruw geitenhaar gebruiken maar daaronder scharlaken wol; anderen dragen weer laken vanboven en linnen vanbinnen.”
Is Erasmus echt bedroefd over misdragingen van kerkvolk en kerkleiders of hangt hij alleen de nar uit? ‘Lof der Zotheid’ roept meer vragen op dan het beantwoordt. Ook literatuurcritici, historici en godsdienstwetenschappers zijn er nog niet uit. Veel recente academici bestempelden hem als scepticus, moralist en liberaal.
Anderen vinden die typeringen te oppervlakkig. Volgens de theoloog Manfred Hoffman wilde Erasmus vooral een kerkhervormer zijn. ‘Lof der Zotheid’ is meer dan een sceptisch schot hagel, vond Hoffman. Het is een kritiek op alle rotte plekken die het ‘instituut kerk’ in de jaren had opgelopen. Die plekken moesten benoemd worden. Alleen dan kon de kerk zich zuiveren en meer op Christus lijken.
Erasmus had succes. Zijn werk verspreidde zich snel over Europa. Nog geen tien jaar na de publicatie begon de Reformatie. Wat bij Erasmus nog satirische kritiek was, nam bij Luther en Calvijn gedaante aan van dogma’s. De Reformatie was zeker niet alleen zijn verdienste (kritiek op de kerk was weidverbreid), maar hij heeft er zeker een rol in gespeeld. Niet slecht voor een grappenmaker.
Opmerkelijk genoeg is Erasmus (voor zover bekend) niet gestraft voor zijn ‘lofrede’. Was Rome te zeer op zichzelf gericht om zich druk te maken over Rotterdamse satire? Volgens ‘Lof der Zotheid’ was de paus te druk met oorlog voeren en luilakken:
“[Pausen laten] eigenlijk alles wat enige inspanning inhoudt aan Petrus en Paulus over, die toch meer dan genoeg tijd hebben. Als iets daarentegen luxe of lust inhoudt, nemen ze het zelf.”