Interview uit 2010 met Maarten van Roozendaal over zijn ultiem inspirerende zin, een fragment uit Jan Foudraines bundel ‘Wie is van hout’. ‘Ik dacht: ik moest mijn vuisten ballen. Iemand zei: open je hand. Ik was bang om door de mand te vallen. Iemand zei: er is geen mand.’

‘Het ergste dat me kan overkomen is dat ik word uitgelachen, bedenk ik me als ik gespannen in mijn kleedkamer zit. Waarom zou ik me, net voordat ik het podium van een theater op loop, zo druk maken? Een zaal die zich bescheurt om mijn afgang is het ergste dat me kan overkomen. Is dat nou zo’n ramp?

Ik moet van mijn krampachtigheid af, realiseer ik me dan. Me ontspannen en niet meer steeds naar die mondaine trots streven. Niet dat ik op zulke momenten een religieuze oefening doe, trouwens. Noem me een randgelovige – ik pik van wijze leermeesters af en toe eens iets mee, maar kan me nooit helemaal op één religie of gedachtegoed storten.

Na jaren van doelloos leven bleek ik ineens een geslaagde artiest

En toch, ondanks mijn constante cynisme, kom ik al jarenlang steeds terug bij een taalspelletje van Jan Foudraine, een Nederlandse psychiater. Die schrijft in zijn boek ‘Wie is van hout’: “Ik dacht: ik moest mijn vuisten ballen. Iemand zei: open je hand. Ik was bang om door de mand te vallen. Iemand zei: er is geen mand.”

In de jaren ’80, toen Freek de Jonge van het gedicht van Foudraine een lied maakte, gingen taalspelletjes als deze in tegen de heersende mentaliteit. Juist in de jaren ’80 moést je van alles. Tegen kruisraketten zijn bijvoorbeeld, of boos zijn op de regering. Ja, bóós zijn – dat hele decennium stond bol van de boosheid.

Foudraine en De Jonge gingen die krampachtigheid met oosterse filosofie te lijf. In plaats van met je vuist te zwaaien naar misstanden kon je je beter ontspannen. Bij confrontaties en meningsverschillen deed je er verstandiger aan lichtjes meebuigen. Niet om toe te geven, maar juist om zo samen aan een oplossing te kunnen werken.

Die gelatenheid heb ik altijd fascinerend gevonden. In plaats van altijd overal een mening over te moeten hebben, probeer ik observerend aan de zijlijn te staan. Wordt iemand boos, dan laat ik zijn woede over me heenkomen, in de hoop dat we het later alsnog eens kunnen worden.

Nog belangrijker is dat Foudraines rijmpje een troost voor me geweest is. Een baan krijgen, werd me tijdens die vermaledijde jaren ’80 constant verteld, kon ik als jongere wel vergeten. Prima, dacht ik, en voor ik het wist was ik jarenlang aan het niksen. Ik verliet op mijn zeventiende de middelbare school, begon te drinken, ging met andere vrijbuiters in een kraakpand wonen en trad zo nu en dan eens ergens op.

Na tien jaar begon dat bestaan natuurlijk te wringen. Ik leefde maar wat, gespeend van een doel of iets om trots op te kunnen zijn. Ik werd angstig en ziek van de doelloosheid die me in de greep hield. Wilde ik écht iets met mijn leven doen, dan moest ik mijn muzikale carrière serieus gaan nemen.

Maarten van Roozendaal

Maar wat als ik na alle moeite zou falen als zanger? Dan is er niets aan de hand, leerde ik van Foudraines strofe. Mislukken kon niet, want ik had niets te verliezen. Ik kon nu eenmaal niet door de mand vallen. Hij gaf me het vertrouwen om te doen wat ik eigenlijk al bleek te kunnen.
Toen ik eenmaal de moed had verzameld om voltijds artiest te worden, ging de rest eigenlijk vanzelf. Podiumervaring had ik in die tien jaar immers al opgedaan en levenservaring om doorleefde liedjes te schrijven had ik ook genoeg. Na jaren van doelloos leven bleek ik ineens een geslaagde artiest.

Dát is wat een goed motto kan doen. Foudraines poëzie is krachtig genoeg om steeds weer relevant te worden, om me steeds te motiveren en te troosten. Zonder zijn woorden was ik misschien altijd wel in die halfslapende toestand gebleven en was de drank me misschien nog liever geworden dan hij nu al is.’