Na acht slaperige decennia lijkt het verbod op smalende godslastering dan toch te gaan sneuvelen. De geschiedenis herhaalt zich.

Stuitte de VVD in de vorige kabinetsperiode nog op de onwil van gedoogpartner SGP, de nieuwe politieke verhoudingen leggen de partij geen strobreed in de weg.

VVD en PvdA, zo werd dinsdag bekend, staan op het punt om het blasfemieverbod uit de wetboeken te schrappen. In de woorden van VVD-Kamerlid Joost Taverne: dat de overheid ‘zich bemoeit met de opvattingen over het geloof van mensen is niet meer van deze tijd’.

Oude wet moest helpen ketters aan te pakken
Opmerkelijk genoeg kwam de Nederlandse politiek anderhalve eeuw geleden al min of meer tot dezelfde conclusie. De gelovige werd voldoende beschermd door de verschillende sancties op laster en hate speech, lijkt toen in Den Haag de teneur te zijn geweest. Ook toen besloot de politiek dat godslastering niet langer een delict was.

Het oude verbod stamde uit een tijd waarin velen vonden dat de christelijke religie bij wet beschermd moest worden en dat ketters in de cel konden belanden. Een tijd waarin de overheid behalve politiek ook een zeker religieus gezag voerde.

Nederland had niet als enige dergelijke bepalingen. In Europa waren ze eeuwenlang heel gebruikelijk, schreef recht wetenschapper Aernout Nieuwenhuis vijf jaar geleden in een ‘justitiële verkenning’ in opdracht van de overheid.

Serieuze religiekritiek was geoorloofd
Met de komst van de Verlichting was de strijd tegen ketterij uit de mode geraakt. De natuurwetenschap schreed voort, theologen begonnen de Bijbel te controleren op historische juistheid. Wetenschappers moesten vrijelijk ontdekkingen kunnen doen en theorieën kunnen formuleren – ook als hun vindingen ‘botsten’ met christelijke orthodoxie.

Toch maakte het verbod in de jaren ’30 van de twintigste eeuw een comeback. Minister van justitie Jan Donner leek van mening dat zijn voorgangers het kind met het badwater hadden weggegooid.

Door het schrappen van het oude verbod konden communistische en anarchistische groepen wegkomen met uitgesproken antireligieuze leuzen als ‘godsdienst is opium voor het volk’. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Donner kwam met een specifieke oplossing: godslastering mocht, behalve als die smalend was. Serieuze religiekritiek bleef toegestaan, het beledigingen van een opperwezen werd weer strafbaar. Het deed er overigens niet toe of dat opperwezen werkelijk bestond. Delinquenten mochten rekenen op 1 tot 3 maanden gevangenisstraf of een geldboete.

De door Donner zo betreurde communisten en anarchisten lijken uiteindelijk weinig last te hebben gehad van de wet. Ook Gerard Reve, die in de jaren ’60 zijn uiterste best deed om veroordeeld te worden, ging vrijuit.

Slechts een paar veroordelingen
Reve had beschreven hoe Christus in de gedaante van een ezel bij hem op bezoek kwam en anale seks met hem bedreef. ‘Ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’ Nieuwenhuis telde in de afgelopen tachtig jaar slechts vier vervolgingen, zo vertelde hij in 2007 in Trouw.

‘Er is een keer een dronken militair veroordeeld die iets beledigends over de islam heeft geroepen en datzelfde geldt voor de schrijvers van een pamflet waarin de islam een gezwel werd genoemd dat moest worden gestopt. Maar Theodor Holman die in een column over christenhonden had geschreven, werd vrijgesproken.’