In Nederland werd het islamdebat de afgelopen jaren uitvoerig en op felle toon gevoerd. Waarom eigenlijk? Promovendus Hans Crebas van de Tilburg University hield het debat tegen het licht en concludeerde dat onze premiers te veel aan de zijlijn stonden.

Jarenlang leek het alsof ‘de islam’ een vraagstuk was dat moest worden opgelost, schrijft Crebas in zijn deze week verschenen proefschrift Peacekeeping in Holland 2001-2010. Wie opiniepagina’s las, kreeg de indruk dat de Nederlandse politiek volledig in het duister tastte over welke plaats moslims en de islam precies verdienden.

Zo gebeurde het dat politici en ideologen die wel een duidelijke visie hadden – Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Geert Wilders – het islamdebat domineerden. Hun scherpe islamkritiek leidde volgens Crebas tot polarisatie.

Die polarisatie was onnodig, zegt u.

Crebas: ‘Het islamdebat draaide vooral om de vraag of de islam en de Nederlandse rechtsstaat zich wel lieten verenigen. Die vraag was al lang beantwoord. Onze regering had rond de eeuwwisseling geconstateerd dat er niets mis mee was als moslims hier hun geloof uitoefenden.’

‘Voor salafisme en fundamentalisme lag dat anders: die moesten in de gaten worden gehouden. Uitwassen moesten bestreden. Aan die visie wordt al jarenlang vastgehouden.’

Waarom ging het dan toch steeds over islamproblematiek?

‘De regeringen-Balkenende hadden het antwoord wel op zak, maar brachten het niet voldoende naar buiten. Ministers kwamen soms met hun eigen verhaal en Balkenende zweeg.’

‘Onder Rutte gebeurde min of meer hetzelfde. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de inrichting van ons staatsbestel. De minister-president wordt niet geacht een strategische communicator te zijn. Ieder ministerie moest voor zichzelf spreken.’

Wat had Balkenende dan moeten doen?

‘Hij had van de visie op islam, die versnipperd was over een aantal ministeries, één duidelijk en verbindend verhaal moeten maken. Daarmee had hij de rechterflank van repliek kunnen dienen.

Dat was ook nodig, want het idee dat de islam een intrinsiek probleem vormt voor onze samenleving is wetenschappelijk absoluut niet hard te maken.’

Het islamdebat draaide vooral om de vraag of de islam en de Nederlandse rechtsstaat zich wel lieten verenigen. Die vraag was al lang beantwoord.

De premier moet zich vaker mengen in het maatschappelijk debat?

‘Ja. Amerikaanse politici begrijpen dat beter dan de onze. Balkenende had veel polarisatie kunnen voorkomen als hij het goed beargumenteerde en wetenschappelijk onderbouwde verhaal van de regering actiever had verkondigd.’

‘Vreemd genoeg deed hij dat alleen in het buitenland. In Jakarta zette hij de visie ooit uiteen in een speech van anderhalf A4’tje. Alles zat er in: godsdienstvrijheid, kritiek op salafisme, het idee dat de overheid met minderheden in gesprek moet blijven en dat het tegengaan van jeugdwerkeloosheid belangrijk is om marginalisering en racidalisering te voorkomen. Vanwege de manier waarop het Nederlandse bestuur is ingericht kon hij die boodschap in eigen land niet zo dominant neerzetten.’