Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) is er klaar mee. Jihadisten, ‘haatpredikers:’ allemaal behoren ze tot die ene islamitische beweging, het salafisme. Asscher gaat nu extra hard ‘terugduwen’ op de ‘onverdraagzaamheid van de salafistische ideologie,’ zo maakte hij bekend. Is zijn angst voor de ultra-orthodoxe stroming terecht? Een explainer.

‘Als je je raar wilt uitdossen en wilt leven als iemand van tien eeuwen terug, dan is dat aan jou.’

Lodewijk Asscher, PvdA-minister van Sociale Zaken, drukte zich donderdag een beetje ongelukkig uit.

Ja, de Tweede Kamer had hem in november opgeroepen om te onderzoeken of hij organisaties die salafistische ideeën verkondigen kan verbieden. En nee, hij was niet van plan om zo’n verbod in te voeren, vertelde hij op Radio 1.

Maar hij gaat aanhangers van de ultra-orthodoxe islamitische stroming wel lik op stuk geven: koranscholen die kinderen ‘impregneren met haat’ worden gelijk vervolgd en met de buitenlandse financiers van ultra-orthodoxe moskeeën gaat hij eens een stevig gesprek voeren. Want de ‘griezels’ van het salafisme verdienen een weerwoord.

Een goede beslissing? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet je weten wat het salafisme precies inhoudt.

Salafisten zijn orthodoxe moslims die streven naar ‘de ware, zuivere islam’. De meeste van hun geloofsgenoten zijn door de eeuwen heen afgedwaald, vinden ze. De voorschriften uit de Koran en de andere islamitische geschriften moeten letterlijk nageleefd worden. Hetzelfde geldt voor de verhalen over de profeet Mohammed: zijn gedrag is de norm der dingen.

Een deel van die eeuwenoude voorschriften gaat over individueel gedrag. Over eten met drie vingers – zo zou de profeet het ook gedaan hebben. En over de kleding van de profeet – zo willen salafisten zich ook kleden.

Maar dat is uiteraard niet waarom ze omstreden zijn. Hun ideeën over politiek zijn genoegzaam bekend: salafisten willen de democratie verruilen voor een theocratie op basis van de sharia. Bij andere gelovigen en niet-gelovigen blijven ze uit de buurt, want die doen aan ‘afgoderij.’

Aan dat afzonderen van de maatschappij zitten natuurlijk grenzen. Studeren, werken: dat doen veel salafisten wel gewoon.

Waarom wilde de Tweede Kamer salafistische organisaties dan verbieden?

In de woorden van PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch: omdat het salafisme ‘in wezen een politieke ideologie is, die in strijd is met onze wetgeving en openbare orde.’ En omdat voor salafisten ‘geweld is toegestaan als middel om hun streven, een islamitische staat, te realiseren.’ Salafisme, meent Marcouch, is het voorportaal van het jihadisme.

Voor hem was dat reden om eind november met de VVD een motie op te stellen die het Openbaar Ministerie opriep te onderzoeken of salafistische organisaties verboden kunnen worden. Die motie werd net voor Kerstmis aangenomen door een Kamermeerderheid. Asscher heeft donderdag dus laten weten dat hij die oproep, na onderzoek, naast zich neerlegt.

Had heeft Marcouch een punt?

Nee, bijna alle jihadisten in Europa zijn salafisten. Maar niet alle salafisten zijn jihadisten.

Het salafisme is namelijk bepaald geen overzichtelijke stroming. Toch kun je grofweg drie soorten salafisten onderscheiden: jihadistische, politieke en quiëtistische. Over die jihadisten horen en lezen we natuurlijk genoeg, maar die andere groepen halen minder vaak de media.

In het geval van de quiëtisten is dat logisch. Die zijn vooral bezig met hun persoonlijke geloof: bidden, de Koran lezen en preken luisteren. Daarin zijn ze erg fanatiek. Die kledingvoorschriften, die regels over eten met drie vingers: quiëtisten zorgen dat ze die zo letterlijk mogelijk naleven.

Lodewijk Asscher over salafisme

Sommige politieke salafistische moskeeën zoeken absoluut de grenzen van het betamelijke op

De politieke substroming is mondiger. Die organiseert bijvoorbeeld lezingen en conferenties waarbij predikers van leer trekken tegen allerlei vormen van shirk (afgoderij) die ze in de samenleving zien – van homoseksualiteit tot zionisme. De ‘politieken’ verkiezen de shariastaat boven de democratische rechtsstaat, maar hebben niet de illusie dat ze hier in Nederland de sharia ingevoerd krijgen, constateerden onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam in 2010.

Politieke salafisten willen nog weleens sympathie hebben voor jihadisten. Maar, zo stelde de AIVD in september, gewelddadig zijn ze doorgaans niet. Ze keuren het principe van een heilige oorlog niet af, maar vinden dat je zo’n strijd alleen kunt voeren als het conflict aan een hele lijst voorwaarden voldoet. Kortom: ze leggen de lat erg hoog.

Dat betekent trouwens ook weer niet ze van onbesproken gedrag zijn. Integendeel. Opruiende taal over het goddeloze Westen, ronkende betogen over hoe ware moslims meer waard zijn dan andersgelovigen en ongelovigen: sommige politieke salafistische moskeeën zoeken absoluut de grenzen van het betamelijke op.

Lees meer >>

Hoe groot zijn die verschillende groepen?

Lastige vraag. De wereld van moskeeën en islamitische stromingen is nogal onoverzichtelijk. Salafistische moskeeën zijn niet verenigd in koepelorganisaties en de meeste salafisten noemen zich niet salafisten, maar gewoon moslims. Dat maakt het erg moeilijk om salafisten en hun groepen te tellen. Er zijn wat organisaties die zich profileren als salafistisch, zoals de Haagse As-Soennah-moskee. En er zijn in Nederland een paar netwerken van organisaties met een hoog salafistisch gehalte. Maar van de meeste moskeeën is dus onduidelijk of ze salafistisch zijn.

Maar, zo vroeg ik laatst aan Ineke Roex, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar het salafisme in Nederland, experts kunnen toch wel íets zeggen over de omvang van het salafisme?

Dat kunnen ze inderdaad, zegt Roex. Zo is bekend dat ongeveer acht procent van de Nederlandse moslims ontvankelijk is voor salafistisch gedachtegoed. De omvang van de substromingen kunnen echter niet gemeten worden. Roex: ‘Dankzij veldonderzoek weten we wel dat het jihadisme een heel kleine beweging is die bestaat uit een paar kleine groepen. Jihadisten zitten echt in de marge. Andere salafisten willen niets van hen weten.’

De invloed van salafistische predikers reikt trouwens tot ver buiten de eigen moskeeën. Hun preken, die ze vaak verspreiden via internet, zijn ook populair onder niet-salafistische moslimjongeren. Hetzelfde geldt voor hun lezingen: daar komen moslimjongeren uit allerlei richtingen op af.

Maar is salafisme nu een voorportaal voor de jihad?

Wat zeker is: Marcouch ging veel te kort door de bocht. Zijn bewering dat salafisten geweld gerechtvaardigd vinden, rammelt aan alle kanten. Geen enkel onderzoek komt tot de conclusie dat het salafisme draait om de gewelddadige oprichting van een islamitische staat. Ja, sommige salafisten – de jihadisten – zijn bereid tot geweld. Andere salafisten niet. En die andere salafisten vormen dus de overgrote meerderheid.

Toch is de AIVD er niet gerust op. De beweging heeft namelijk ‘in zekere zin ook een emancipatoire rol voor sommige jonge moslims,’ schreef de AIVD in september zijn laatste rapport.

Hoe je die ‘emancipatie’ voor je kan zien? ‘Zij nemen in korte tijd slechts enkele aansprekende onderdelen van de salafistische leer over, zoals de levensstijl en groepsidentiteit of het afstand nemen tot de westerse samenleving en de afkeer van de democratie, zonder zich verder te verdiepen in de grote inhoudelijke en praktische verschillen die er binnen het salafistische spectrum bestaan. Zeker wanneer predikers zich niet expliciet tegen deelname aan de gewapende strijd uitspreken, kan dit mogelijk tot gevolg hebben dat dergelijke jongeren makkelijker het jihadisme omarmen.’

Wat volgens de AIVD ook niet meehelpt, is dat ‘gevestigde salafistische voormannen’ (in ieder geval in 2014) wat ‘ambivalent’ waren over ‘de gewapende strijd in Syrië.’ ‘Deze houding kan het tegengaan van radicalisering bemoeilijken,’ schreef de dienst.

Op zulke momenten kan Asscher toch wel ingrijpen?

Soms zou je willen dat je harder kan ingrijpen, verzuchtte Asscher de afgelopen dagen in interviews. Maar de overgrote meerderheid van de salafisten blijft binnen de grenzen van de wet. Als een prediker zegt dat Nederland beter af is zonder democratie en mét sharia, is dat misschien moeilijk te verteren. Strafbaar is dat niet.

Los daarvan is het al erg lastig om één organisatie te veroordelen. Het OM moet dan aantonen dat niet alleen een bepaalde prediker over de schreef gaat, maar zijn hele club. Het op voorhand verbieden van álle organisaties uit één stroming is helemaal een heilloze exercitie. Bovendien: jihadisten opereren nauwelijks vanuit zulke officiële organisaties. Ze vormen vaak informele groepjes.

Je kunt je dan afvragen: waarom richtte Marcouch zich op de salafistische organisaties en stelde hij niet gewoon voor om het belijden van salafistische ideeën te verbieden? Het antwoord daarop is eenvoudig: omdat hij ook wel aanvoelde dat je het belijden van ideeën niet kunt verbieden. Zo’n verbod zou indruisen tegen twee grondrechten: de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting.

Kan de overheid dan helemaal niks doen tegen salafisten die uit de bocht vliegen?

Jawel. Ze kan predikers vervolgen als ze over de streep gaan. Maar dat gebeurt al. Verder zet dit kabinet in op preventie. Gemeenten, politie, onderwijzers en jeugdwerkers moeten hun oren en ogen openhouden voor bepaalde figuren die er radicale ideeën op nahouden.

Op dat gebied is er wat Roex betreft trouwens nog genoeg te verbeteren. Vooral gemeenten zijn vaak slecht geïnformeerd, vindt zij. ‘Als een vertegenwoordiger van een moskee bijvoorbeeld een vrouw geen hand wil geven – en dat willen veel salafisten inderdaad niet – dan zien ze dat als bewijs dat zo iemand extremist is,’ vertelt ze. ‘Dan gaan alle alarmbellen rinkelen. Terwijl handen schudden niks met extremisme te maken heeft. Als iemand dat niet wil, is dat een geval van sociaal-culturele verschillen – geen veiligheidsprobleem.’

De gemeente-ambtenaar die op zo’n moment in de kramp schiet, verspeelt volgens Roex bovendien zijn of haar kans om met de vertegenwoordiger van de moskee een goede relatie op te bouwen. Zonde, want als je wilt weten wat er in moskeeën speelt en of daar groepjes zijn die zich verontrustend gedragen, dan zul je goede banden met moskeeën moeten hebben.

Beter inlezen, niet direct in paniek raken: het zijn nogal kleine en softe maatregelen. Toch moeten we het volgens Roex daarvan hebben.

Wat ook zou kunnen helpen: minder generaliseren. Het op één hoop gooien van alle salafisten, zoals Marcouch en (in iets mindere mate) Asscher doen – zet de boel nogal op scherp. Daarmee versterken ze bij moslims het gevoel dat de overheid hen allemaal verdacht vindt – een geluid dat je sowieso regelmatig hoort in orthodox-islamitische kringen. En dat maakt de kans dat salafisten zich afkeren van de samenleving alleen maar groter.